Jaarverslag 2019

Brussel, 31 december 2019

Geachte Heer Minister Clarinval,

     De Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (KCTD/CRTD) vervult haar wetenschappelijke consultatieve opdracht onder de hoge bescherming van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten en de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique.

     Het wetenschapsdomein van de Commissie is de studie van de onomastiek (toponymie en antroponymie) en de dialectologie, vooral in België en zowel op Germaans als op Romaans gebied. Daartoe geeft ze wetenschappelijke studies (Handelingen, Werken, Overdrukken) over deze disciplines uit en onderhoudt contacten met binnen- en buitenlandse instituties die in dezelfde domeinen actief zijn.

     De (Koninklijke) Commissie voor Toponymie en Dialectologie geeft sinds 1927 dankzij de subsidies van het Federaal Wetenschapsbeleid een tweetalig jaarboek uit met toponymische & dialectologische studies. In 2019 verscheen de 91e jaargang van de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (Franse naam: Bulletin). Daarmee verzamelt dit tijdschrift een totaal volume van meer dan 30.000 pagina’s. Bovendien publiceert de Commissie regelmatig monografieën (Nl.: Werk, Fr.: Mémoire): met haar 56 Werken/Mémoires gaf ze nog eens meer dan 17.500 bladzijden aan wetenschappelijke literatuur uit. Daaronder bevinden zich standaardwerken als: De Vlaamse Gemeentenamen. Verklarend woordenboek (2010, 331 p.); Les noms de rivières de Wallonie, y compris les régions germanophones. Dictionnaire analytique et historique (2014, 457 p.); De Vlaamse waternamen. Verklarend en geïllustreerd woordenboek. Deel I: De provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Werk 29 van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. 2016. 426 p.; Deel II: De provincies West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen. Werk 30 van de Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie. 2018, 533 . Beide: Uitgeverij Peeters, Leuven.

     Niet in de laatste plaats is de Commissie een wetenschappelijk adviesorgaan waarop de overheid regelmatig een beroep doet en in talrijke gevallen daartoe overigens verplicht is.

Statutaire vergaderingen

     De statutaire vergaderingen hebben plaatsgehad op 28 januari, 27 mei en 21 oktober 2019 in de lokaliteiten van het Paleis der Academiën in Brussel (Hertogsstraat 1). Er hebben zes sectiever­gaderingen plaatsgenomen: in elk van de twee secties telkens op 28 januari, 27 mei en 21 oktober 2019. De plenaire (gezamenlijke) vergadering van de beide secties werd op 28 januari 2019 gehouden en de (gemeenschappelijke) bestuursverga­deringen op 27 mei en 21 oktober 2019.

Lezingen gehouden op de plenaire vergadering

Étienne Renard, Comment, sous la plume de Grégoire de Tours, la Toxandrie est devenue la Thuringe?

Victor Mennen, Een Franstalig reiziger 1778 in een Kempisch grensgebied in. Landschapshistorische en naamkundige kanttekeningen

     In deze lezing wil ik het belang van interdisciplinair onderzoek onderstrepen bij de studie van de plaatsnamen en van het historisch landschap. Zowel historisch geografen als naamkundigen hebben vandaag nog steeds de indruk dat er tussen beide disciplines onvoldoende interactie is. Ook de cartografie kan mijns inziens als hulpwetenschap voor de naamkunde een belangrijke rol spelen.

Om deze visie kracht bij te zetten maak ik gebruik van een eerder ongewone invalshoek, namelijk het reisverhaal van Jean Deluc, geoloog, meteoroloog en instrumentenmaker. Hij werd in 1727 in Genève geboren. In 1773 verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij onder meer de  vorming en opvoeding van koningin Charlotte von Mecklenburg-Strelitz, echtgenote van George III, op zich nam. Deze functie verzekerde hem van een inkomen en van voldoende bewegingsvrijheid om zich aan de wetenschap te wijden. Deluc overleed in 1817 in Windsor bij Londen.

     In 1779 publiceerde Deluc in zes delen zijn “Lettres physiques et morales sur les montagnes et sur l’histoire de la terre et de l’homme adressées à la reine de la Grande Bretagne“. In zijn brieven aan de Engelse koningin zijn voor ons Delucs verslagen over reizen in Europa en delen van Nederland en Vlaanderen interessant. Deel 4 begint met het vertrek op 9 mei 1778 uit het Engelse Harwich. Op 11 mei om 4 uur ’s morgens zet hij voet aan land in Hellevoetsluis (prov. Zuid-Holland). Het land is er zo laaggelegen dat het helemaal door de zee en de rivieren overspoeld zou worden mochten er geen dijken zijn (p. 17).

     Deluc steekt zijn bewondering voor het Hollandse waterbouwkundig talent in dit rivierengebied met de aanleg van dijken, dammen, sloten, polders en de bouw van windmolens niet onder stoelen of banken. Van Hellevoetsluis reist hij de volgende dagen over de Hollandse kanalen naar Maaslandsluis en Moerdijk en zo naar Breda. In de buurt van deze stad merkt hij als geoloog de veranderingen in de bodem. De polderklei heeft plaats geruimd voor de Brabantse zandgrond en op 1,5 mijl van Breda zit hij dans les bruyères les plus maigres qu’il soit possible (p.54). Vervolgens gaat het naar Alphen en Poppol (Poppel), waar hij percelen cultuurland aantreft, maar ce sont des isles dans une vaste mer (p.55). Uiteindelijk bereikt hij op 19 mei in de schemering de abdij van Postel, een nieuwe oase met magnifiques plantations de chêne et une culture très soignée et très fructifiante (p. 69).

     Vanuit Postel trekt hij de volgende dag verder door de uitgestrekte heidevlakten die hij de vorige avond van op de galerij van de Postelse stellingmolen had gezien. Alweer treft hem de enorme verlatenheid. De heide strekt zich over een enorm gebied uit tot aan de horizon zonder dat er ook maar iets opdoemt tenzij de hopen heideplaggen die men hier en daar heeft afgehakt en bijeengebracht om ze over een zeer grote afstand naar de akkers te transporteren. Deluc trekt door de Riebosser- en daarna de Blekerheide. Vanuit Postel neemt Deluc, die zich per koets verplaatst, de Postelsedijk, de enige, in die tijd berijdbare weg door de heide. Op de grens van Mol en Lommel komt hij voorbij de Grenssteen van de Zeven Heerlijkheden, die op de kaart van 1654 al staat afgebeeld, en bereikt uiteindelijk Lommel.

     We laten Deluc nog even aan het woord die zijn indruk over Lommel aldus verwoordt (…) Le premier endroit habité que j’aie trouvé sur ma route, est celui dont j’ avois apperçu le clocher hier au soir: il est distant de deux lieues, & se nomme Loemel. C’est un joli Bourg, tout environné de culture très prospérante. Il y a de bonnes prairies, sans que-j’ y aie apperçu des eaux (…).Tijdens zijn doortocht door Lommel in het voorjaar heeft hij natuurlijk geen besef van de hete zomers die het gras in de weilanden verschroeiden. De dikke graszoden zijn volgens hem immers een garantie voor een nog groene weide ondanks een verzengende zon (l’ ardeur du soleil). Au sortir de Loemel, voyant de loin l’horizon borné par des Dunes. Bij het verlaten van het dorp – uit de context blijkt dat hij langs het Dorp en de Hoeverdijk naar het zuidoosten is afgezakt – ziet hij van ver de horizon die met duinen is afgebakend. Deze kunnen enkel de Lommelse Hoeverbergen of Hoeverheide zijn, die zijn aandacht als geoloog trekken. Terwijl de zandige bodem in de heide met kiezelsteentjes (gravier) vermengd is, zijn de duinen louter zand, meer bepaald stuifduinen. Daarna gaat het verder door een nieuwe heidevlakte (…) C’ étoit encore une bruyère, dans laquelle nous avons marché deux heures et demie avant de retrouver de la culture (…).

     Hij heeft – uiteraard onwetend – het Hollandse Lommel verlaten en bevindt zich thans op Overpelts (Luiks) grondgebied in de zogenaamde gemeentelijke “Heide achter de Steenweg”, vandaag grotendeels ontgonnen,  maar tijdens Delucs passage een schier eindeloze vlakte van 551 ha. Eenmaal daar doorheen is de beloning zoet. Hem wacht niet alleen weer bewoond gebied met akkerland, maar ook  une fort belle chaussée , pavée de grès , qu’on trouve sans doute quelque part dans ces sables: elle vient de Bois-Ie-Duc. De reiziger heeft de pas aangelegde steenweg van Luik naar ‘s-Hertogenbosch bereikt! Via het Ekselse gehucht Locht doet hij zijn intrede in Hechtel. De aankomst daar stemt hem euforisch:  l’ effet de cette grande route se fait sentir (…) la culture y est proportionellement plus étendue que dans tous les autres lieux ou j’ai passé (). De oppervlakte bouwland is er veel groter in vergelijking met de andere plaatsen die hij aandeed. Maar ook hier zijn de duinen alomtegenwoordig, zoals blijkt op de Ferrariskaart. De cartograaf geeft ons een beeld van de moeilijke omstandigheden waarin de Zwitser gereisd moet hebben.

     Ter hoogte van de Locht loopt de kaarsrechte Luikersteenweg dwars door de steeds zich verplaatsende duinen, want deze zijn opnieuw gaan verstuiven  … jusqu’au milieu du pavé de la chaussée (p. 89). Voor de aanleg van de nieuwe weg heeft men ze als het ware doormidden gesneden en trachten te ruimen. Het lichte vliegzand en de blootstelling aan de wind zorgen echter ervoor, zo stelt hij met eigen ogen vast, dat het stuifzand zelfs tot in het midden van de nieuwe verkeersweg is gewaaid. Om het verkeer nog mogelijk te maken, moet het daarom van tijd tot tijd worden geruimd. Na een tocht langs de Hechtelse duinen (dans la bruyère rasé, garnie de dunes) doet Deluc Helchteren en daarna Zonhoven aan, waar hij in de dalen tussen de heuvels  verschillende waterlopen aantreft die naar une petite rivière nomméé  Demer vloeien (p. 90). Ten slotte bereikt hij Hasselt, waar hij op 20 mei 1778 aan de Engelse koningin verslag uitbrengt over zijn tocht vanuit Postel door de Limburgse Kempen.

     Het verhaal van deze reis, die over de middeleeuwse verbinding van Breda naar Hasselt loopt, is mijns inziens niet alleen vanuit historisch-geografisch, maar ook vanuit naamkundig standpunt interessant. Ik beperk me tot enkele plaatsen en namen tussen Breda en Hechtel die op zijn route lagen. Ten westen van de stad Breda valt Deluc de vruchtbare bodem op. Die heeft ervoor gezorgd dat dit deel van zuidelijk Nederland erg vroeg ontgonnen werd en dat het plaatsnamenbestand er niet alleen rijk, maar ook vrij oud is, in tegenstelling tot de heidegebieden van Zand-Brabant ten oosten, richting Chaam-Alphen, die hij daarna doorkruist.

Meijsberg (Alphen-Chaam)

     In de relatief vlakke Kempen duidt berg op elke verhevenheid, meer specifiek op de landduinen die gevormd werden in de laatste ijstijd of in de late middeleeuwen. Het betreft de afzetting van dekzanden die dus op verschillende tijdstippen verstoven zijn. Het eerste deel is Meijs, verkorte persoonsnaam van Remeijs (Remigius).

Alphen

     709 kopie 1191 Alfheim. Heim ‘woonplaats” met onduidelijk eerste lid. De sporen van bewoning uit de Merovingische tijd en de domeinvorming dankzij de schenking van Willibrord aan de abdij van Echternach in de achtste eeuw hebben Alphen belangrijk gemaakt in de ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van de Brabantse Kempen.

Poppel

     1211 Publo. Lo-naam met mogelijk als eerste lid Mnl. popel ‘populier’. De lo-naam Poppel is representatief voor het groot aantal toponiemen (onder meer nederzettingsnamen) die met dit grondwoord gevormd zijn. Voor de Antwerpse Kempen bedraagt het aandeel van lo-namen 11,8 procent; voor Noord-Brabant zelfs 19,6 procent. (Van Osta:2001, 15). Cf. ook Postel en Lommel.

De Kempische potstaleconomie

     Ils tiennent leur bétail renfermeé dans les étables à fin de conserver sa litière qu’ils mêlent à la croute de la bruyère… Aprés ils répandent ce mélange sur leurs champs …(p. 55).Het Kempisch gebruik van de potstal komt o.m. naamkundig tot uiting in plaatsnamen als Hakmeiten (Lommel): een naamkundige verwijzing naar het hakken van heideplaggen en maaien van het heidekruid voor de aanmaak van mest.

Twisselt (Hoge MIerde)

     1838 Twisselt. De eerste plaats die Deluc aangedaan moet hebben in Hoge Mierde na het doorkruisen van de heide vanuit Poppel. Gelegen op het snijpunt van twee wegen: ‘bij de tweesprong’. Cf. Oe. twisel ‘gespleten’; Oe. twisla ‘waar twee stromen samenkomen’ en Twijzel (Friesland) (Van Berkel-Samplonius:2018, 632). Op de militaire kaart van 1837 nog duidelijk herkenbaar.

Kuilensrode (Hoge Mierde)

     1212 Culutsrode; 1650 Culensrode;1857 Kuilensroode.Het eerste deel is dialectische  kulut, klut, kluter, in de Brabantse Kempen de gebruikelijke naam voor de wulp (heidevogel).

Hoge Mierde

     Topografisch verklaarbaar door de ligging aan de rand van de Turnhoutse Heide, die Deluc vanuit Poppel doorkruist heeft. In tegenstelling tot Lage Mierde, dat tussen de riviertjes Reusel en de Raamloop gelegen is.

Postel

     Lo-naam met onduidelijk eerste deel. De zogenaamde Postelse Heide, waardoor Deluc vervolgens trekt, is het resultaat van de degeneratie van het loofbos in dit deel van de Antwerpse Kempen in de late middeleeuwen. Postel ligt ongeveer op de scheiding van het Maas- en Scheldebekken. Zie ook Poppel en Lommel.

Bleken (Lommel)

     Langs de Postelsedijk bereikte Deluc de Blekerheide op Lommels grondgebied. De natuurnaam Bleken komt er meermaals voor: Blekerheide, Gestelse Bleken, Heuvelse Bleken, Riebosserbleken. Er is geen verband met ‘een bleekplaats (voor linnen)’. Wel een naamkundige verwijzing naar de uitgestrektheid van het heidegebied, een landschappelijk kenmerk dat ook Deluc bijzonder opgevallen was. Vgl. blikken ‘schitteren, glanzen, goed zichtbaar zijn’; Oudnederlands *blican, Nederlands blijken. Cf. Duits Bläch, Bleek, Bleck ‘offener Platz’. (Dit1963:30).

     Hiermee verwant is Blokwaters, destijds twee uitgestrekte natuurmeren in de Hoge Maatheide,  die Deluc niet ontgaan kunnen zijn: 1450 dblaeckwater aent weskens venne (Me1987:89). Cf.dialectisch (Kempenlands) blaak, blak ‘vlak, effen, bloot’.

Hoeverbergen (Lommel)

     Ook hier duidt berg op een duinenformatie die op het einde van de IJstijd of in de late middeleeuwen gevormd werd.

Locht (Eksel)

     Bij dit gehucht bereikt Deluc de “Bossche Straatweg” of de verbinding van Luik naar ‘s-Hertogenbosch, die in de tweede helft van de 18de eeuw werd aangelegd. Op de Ferrariskaart vormt het gehucht de Locht een soort oase nadat hij de heide verlaten heeft. De naam herinnert aan de gordel van houtkanten die tegen de zandverstuiving opgeworpen werd.  Vgl. locht ‘afgesloten perceel’, variant van Mnl. loect en Mnl. ww. loken, luken ‘omheinen’.

Kamert (Hechtel)

     Het collectief kan duiden op een verzameling van woningen (Mnl. camere ‘woonhuisje’), maar ook op ‘een  bepaald gedeelte land’, meer specifiek een ontginning uit de heide. Op de Ferrariskaart is het Hechtelse gehucht de Kamert afgebeeld als een ontginning uit de Kamertheide met ook hier aan de westelijke rand een reeks houtkanten tegen de zandverstuiving.

Literatuur

Dit1963           Dittmaier H., Rheinische Flurnamen. Bonn 1963.

Me1987           Mennen V., Toponymie van de Vrijheid Lommel. Leuven 1987.

VBS2018        Van Berkel G. & Samplonius K., Nederlandse plaatsnamen verklaard. Amstelveen, 2018.

VO2001          Van Osta W., Overzicht van Noord- en Zuid-Nederlandse Lo-namen. Tongeren 2001.

Lezingen gehouden in de Vlaamse afdeling

Ann Marynissen, Familienamen en religie

     Het thema van de lezing is de afspiegeling van de christelijke godsdienst in de moderne familienaamgeving. In het kader van mijn methodologisch vernieuwd familienaamgeografisch onderzoek wordt de lexicale variatie in familienamen die teruggaan op het christendom onderzocht. Welke woorden voor kerkelijke ambten, geestelijken, religieuze objecten,  gebouwen en feestdagen zijn tot op heden in de familienaamgeving bewaard? Had de opkomst van het protestantisme een invloed op de door het rooms-katholicisme geïnspireerde naamgeving?

     Uit de verspreiding van familienamen gevormd met lexemen als paap, klerk, priester, bisschop, paus, pastoor, monnik, broeder, frater, pater, abt, prior, karmeliet, kluizenaar, apostel, martelaar, koster, offerman, kerk, kapel, klooster, convent blijkt dat er continuïteit is in de familienaamgeving. Het protestantisme, dat vanaf het einde van de 16de eeuw de Lage Landen binnenkwam, heeft de familienamen van rooms-katholieke origine niet verdrongen of doen verdwijnen. Op de vnl. Hollandse familienaam Ouderling/Ouwerling na, hebben kerkelijke functies in de protestantse gemeenten, zoals het ambt van dominee, predikant of diaken geen familienamen doen ontstaan.

     Bovendien bestaat er een verband tussen woord- en naamgeschiedenis: de woordgeschiedenis weerspiegelt de ouderdom van de familienamen. Soortnamen als monnik en paap, die al in het Oud- en/of Vroegmiddelnederlands zijn overgeleverd, komen in familienamen vooral voor in het zuidwesten van het taalgebied, in West- en Oost-Vlaanderen, waar de toenamen het eerst tot erfelijke familienamen geworden zijn.

     Met jongere, Laatmiddelnederlandse woorden als pater en pastoor daarentegen zijn vooral in het noorden van het taalgebied, waar de toenamen later dan in het zuiden erfelijk geworden, familienamen gevormd.

Jozef Van Loon, Valt er iets zinnigs te zeggen over onze oudste antroponymie?

     De lezing gaat in op specifieke problemen bij de studie van de oudst overgeleverde persoonsnamen uit onze streken, meer bepaald die uit de Romeinse tijd. Het meest weerbarstige probleem daarbij is de etnolinguïstische determinering van de namen. Namen als Segismundus, Segimerus, Inguiomerus, Chariovalda uit de eerste eeuw vormen in dat opzicht geen probleem. Alleen al door hun tweestammigheid laten ze zich onmiddellijk als Germaans herkennen. Zulke doorzichtige namen vormen echter slechts een zeer kleine minderheid tegenover de talrijke namen die in inscripties, graffiti en teksten (deze bovendien slechts in late afschriften overgeleverd) bewaard zijn gebleven. De meeste van die namen zijn etnolinguïstisch lastig te determineren en etymologisch duister. Zelfs personen die in de bron expliciet Germanen worden genoemd, zoals de soldaten Durio, Ramio, Trupo en Lurio, wier namen te lezen zijn op een inscriptie gevonden bij de Hadrianuswal in Engeland, dragen etymologisch ondoorzichtige namen.

     Om toch enige greep te krijgen op dit weerbarstige namenmateriaal, moeten we het eerst ordenen volgens een aantal uitwendige kenmerken en nagaan in hoever ze met elkaar correleren: terugkerende lettergreepcombinaties, gebruikte schrifftekens, het vondstgebied. Sommige namen als Freiatto, Freio, Friattius of Leubasnus, Laubasnus enz., die bestanddelen bevatten die erg Germaans lijken, blijken inderdaad geconcentreerd voor te komen in inscripties uit het gebied tussen Rijn en Maas. De in het Latijn ongewone grafeemcombinaties Hr– (in plaats van Chr– of Cr-) in de pottenbakkersnaam Hristo, onder meer gevonden in Velzeke, of Hl– en ϑ (in de godinnennaam Hluϑena, nog bewaard in het toponiem Lanaken), zijn eveneens sterke aanwijzingen dat de naam en/of de maker van de inscriptie van Germaanse origine was. Daartegenover staat echter een groot aantal namen uit hetzelfde gebied die opvallen door een gegemineerd suffix: Haldacco, Freiatto, Marusso enz. De geminaat wijst erop dat de tweede lettergreep beklemtoond was, wat dan weer pleit tegen het Germaanse karakter van deze namen.

     In al die onzekerheid is er af en toe toch een naam te vinden die zijn geheimen prijsgeeft. In dit geval Veldes, de naam van een Texuander die tijdens een van de Dacische oorlogen omstreeks 100-105 sneuvelde bij Sarmizegetusa aan de Donau (nu Adamclisi, Roemenië). Zijn naam is samen met die van talrijke andere soldaten vereeuwigd op een monument dat omstreeks 109 door keizer Traianus ter ere van de gesneuvelden werd opgericht. De naam van deze soldaat, de oudst bekende Kempenaar, is een bijnaam waaronder hij bij zijn legerkameraden, waaronder ook Tungri, Keulenaars, Bataven, Nerviërs en Cannanefaten bekend moet hebben gestaan. De naam gaat terug op het Oudgermaanse adjectief *welþijaz > Gotisch wilþeis ‘wild’, maar waarschijnlijker nog op een substantief met de wel bijzonder expressieve betekenis ‘wild beest’, dat nog is overgeleverd in Oudengels wildor, wilder. Dat laatste is te reconstrueren als Oudgermaans *welþes, meervoud *welþazô, een Indo-Europese es/os-stam zoals lat. genus/generis, Oudengels sigor ‘zege’ (variant naast sige) en nog als relict voortlevend in het Nederlandse meervoudsmorfeem van kalf/kalveren, kind/kinderen.

     Deelname aan de discussie: M. Devos en K. Leenders.

Frans Debrabandere, Notore Anton versus notoire Antoon

     Vlamingen vinden het vaak vreemd dat veel Nederlanders het woord notoir als notoor uitspreken. Dat geldt ook voor woorden als obligatoir, provisoir, preparatoir, requisitoir met –oor-uitspraak. Tot in de vorige uitgave vond Van Dale alleen requisitoor mogelijk. Toch hoeft de oor-uitspraak voor Vlamingen helemaal niet vreemd te zijn. Van de Franse foire hebben we allemaal foor gemaakt, trottoir werd trottoor, de familienaam Lenoir werd Lenoor, Courtois werd Cortoos, Dutoit werd Duthoo. Het Nederlands heeft dus met notoor de klankwet toegepast die ook bij ons gangbaar was.

     Nederlanders met de doopnaam Antonius, hebben die naam verkort tot Anton, ook de Duitsers doen dat. Vlamingen heten steevast Antoon. Maar Antoon is geen korte vorm van Antonius. Tot halfweg de 20ste eeuw droegen de meeste Vlamingen een Franse voornaam, Jean, Pierre, Joseph, Georges en ook Antoine. Antoon, met scherplange oo, is de Vlaamse, dialectische uitspraak van Antoine, Antoon geschreven. Antoon is dus eigenlijk de Franse naam Antoine, met Nederlandse spelling.

Frans Debrabandere, De lotgevallen van de intervocalische h in het Vlaams

     De h is geen foneem in de Vlaamse en de meeste Brabantse dialecten. En aangezien de h niet uitgesproken wordt, wordt de h vaak hypercorrect geschreven, bv.  de familienamen Handtpoorter, Verheldt, Van Hessche, Hoste. Voor de h tussen twee klinkers zijn er twee mogelijkheden. Ofwel worden de twee klinkers geassimileerd: kè ’t gat ‘ik heb het gehad’, è je’t goord ‘heb je ’t gehoord?’, boef ‘behoef’, soboort, seboor ‘zo ’t behoort’, bendig ‘behendig, spaarzaam’, maar ook bantwoorden, bandelinge, bangsel, boosten. De andere mogelijkheid is dat het hiaat tussen de twee klinkers door een glijder, een j, opgevuld wordt. En dat is heel normaal in het Nederlands. Het theater wordt tejater, theorie wordt tejorie. En dat gebeurt ook met de weggevallen h in het dialect. In plat  Kortrijks hoor je wel eens kakajo ‘cacao’ zeggen. Dialectische voorbeelden zijn: oejoe ‘hoe’, oejest ‘hoe is het’, oejooge ‘hoe hoog’, meejèn ‘meehebben’, bejandelen, bejangen, bejouden, Bejeit ‘Beheydt’, gejoorzaam en gejeim ‘geheim’.

     Nemen deel aan de discussie: Magda Devos, Luc De Grauwe, Ann. Marynissen, Jozef Van Loon

Lezingen gehouden in de Waalse afdeling

     In de Waalse afdeling werden drie lezingen gehouden:

Daniel Reuviaux, Présentation du Projet ICAR

Jean Germain, Le point sur les listes de formes wallonnes des noms de communes (CLRE)

Jean Germain, Proposition de mise en ligne sur le site de la Région wallonne du répertoire toponymique de J. Herbillon (1986) présenté de façon plus lisible et actualisé

Een eigen website

De leden zijn het eens over de noodzaak hun eigen website voortdurend te actualiseren (www.toponymie-dialectologie.be). Het resultaat moet de wetenschappelijke resp. adviserende werkzaamheden van de Commissie en de individuele wetenschappelijke activiteiten, publicaties en internationale contacten van haar leden reflecteren. De leden zijn verzocht regelmatig hun actualiseringsvoorstellen bij de webmaster in te dienen.

Van de website wordt ook gebruik gemaakt om de klassieke publicaties van de Commissie aan te vullen. Zo verwijzen links in veel gevallen naar (anderstalige) samenvattingen van bijdragen of naar moeilijk publiceerbare toponymische kaarten.

Een redactieraad

De leden van de beide secties van de Commissie voor Toponymie & Dialectologie hebben de (gemeenschappelijke) redactieraad (Fr.: ‘comité de lecture’) van hun tijdschrift ((Handelingen/Bulletin) uitgebreid. Dit externe wetenschappelijke comité bestaat nu uit de volgende vijftien buitenlandse leden: Gerrit Bloothooft, Anne Breitbarth, Eva Buchi, Jean-Pierre Chambon, Michiel de Vaan, A.C.M. Goeman, Ludger Kremer, Wulf Müller, Bertie Neethling, Hermann Niebaum, Damaris Nübling, Arend Quak, Tanneke Schoonheim, Gerald van Berkel, Jean-Louis Vaxelaire en Stefan Zimmer.

Deze ‘peer reviewers’, experts in de diverse wetenschapsdisciplines die in de publicaties van de commissie beoefend worden, zullen samen met het eigen redactieteam (de leden van de Commissie) het uitmuntende wetenschappelijke gehalte van het tijdschrift bewaken en garant staan voor een hoge internationaal geldende bibliometrische ranking.

Ledenbestand

     De tweejaarlijkse verkiezingen hadden in de Commissie plaats tijdens de sectievergaderingen en in de plenaire zitting van (eveneens) 29 januari 2018. Het bestuur voor de periode 2018 & 2019 is als volgt samengesteld:

Vlaamse afdeling

Voorzitter: Ann Marynissen

Secretaris: Victor Mennen

Waalse afdeling

Voorzitter: Pierre Van Nieuwenhuysen

Secretaris: Jean Germain

Bestuur van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie – Commission royale de Toponymie et de Dialectologie

Algemeen voorzitter: Bernard Roobaert

Algemeen ondervoorzitter: Ann Marynissen

Algemeen secretaris: José Cajot

Leden: Jean Germain en Victor Mennen

     Ten gevolge van de toetreding van collega Jean Lechanteur tot het erelidmaatschap (op 23 oktober 2017) verkoos de Waalse afdeling op haar zitting van 29 januari 2018 de heer Baptiste Frankinet tot nieuw commissielid.

Publicaties

– Handelingen/Bulletin XCI (2019)

     De Handelingen XCI (2019) tellen 341 bladzijden. Ze werden geruild met een aantal tijdschriften en weten­schappelijke instellin­gen. De door aankoop of ruil verkregen werken zijn in de bibliotheek van het Paleis der Academiën, Hertogsstraat 1 te Brussel gedeponeerd. Twintig exemplaren werden aan de wetenschappelijke centra van de Belgische universiteiten ten behoeve van onderzoekers en studenten ter be­schikking gesteld.

     De voorliggende 91e jaargang van de Handelingen/Bulletin bevat twaalf bijdragen, die wat hun oorsprong betreft in drie categorieën ondergebracht kunnen worden.

     In de eerste vijf teksten verwelkomen wij de schriftelijke neerslag van de onderzoeksresultaten die voorgesteld werden in de Workshop Toponymie en sociale topografie van de pre-industriële steden in [middeleeuws, J.C.] Vlaanderen en Brabant. De eendaagse bijeenkomst was een organisatie van de onderzoeksalliantie UGent-VUB in samenwerking met het Henri Pirenne Instituut voor Middeleeuwse Studies; ze vond op 23 oktober 2017 plaats in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren te Gent.

     De volgende reeks opstellen zijn alle vier een bijproduct van de publicatie De Vlaamse waternamen. Verklarend en geïllustreerd woordenboek. Hier worden de hydronymische voordrachten gebundeld van het symposion dat n.a.v. de presentatie van het tweede deel (over de provincies West- en Oost-Vlaanderen) op 1 maart 2018 georganiseerd werd.

     De laatste drie inzendingen ten slotte, zijn niet in een gemeenschappelijke context ontstaan. In zijn bijdrage bezorgt Frans Debrabandere ons een nieuwe lijst verbeteringen en aanvullingen op zijn Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk van 2003. Jozef Van Loon bespreekt de diverse etymologische verklaringen van de riviernaam Rupel en vraagt op basis van een aantal ontdekkingen aandacht voor het Ingweoonse karakter van de ontronding in de plaatsnaam Rupelmonde.

     De omvangrijkste bijdrage van jaargang 2019 werd afgeleverd door de bibliografische prestatie van KCTD-bestuurslid Jean Germain: Les études anthroponymiques en Wallonie – die als overdruk ook apart zal verschijnen.

Inhoudstafel

Publicaties – Publications

José CAJOT, Woord vooraf – Préface

Leen BERVOETS, Jan DUMOLYN & Mathijs SPEECKE, Toponymie en urbanisatie in de middeleeuwse Vlaamse textielsteden (ca. 1150-1300)

Georges DECLERCQ, Vierweegscheede: een prestedelijk toponiem in het centrum van Gent?

Ward LELOUP, ‘Lammins Vliet que on appelle Lescluze’: de toponymie van een gestichte stad

Jan TRACHET, Verdwenen en Verzwonden: havengerelateerde toponiemen langs het middeleeuwse Zwin

Bram VANNIEUWENHUYZE, Stadstoponymie en stadsgeschiedenis: de kloof en de bruggen

Luc DE GRAUWE, Hoe Waals is de Waalse Krook?

Frans DEBRABANDERE, Draagt West-Vlaanderen water naar de zee?

Karel LEENDERS, Waarom is de Grote Geule zo smal?

Victor MENNEN, Het abdijbezit in het graafschap Vlaanderen onder de loep van de waternamen

Frans DEBRABANDERE, Het Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk. Nog Corrigenda en Addenda

Jozef VAN LOON, De riviernaam Rupel en het toponiem Rupelmonde

Jean GERMAIN, Les études anthroponymiques en Wallonie. Bibliographie rétrospective

– Tiré à part de la Section wllonne 14

Jean GERMAIN, Les études anthroponymiques en Wallonie. Bibliographie rétrospective

Na haar Études toponymiques et microtoponymiques en Wallonie (Mémoire 25 van 2011) reikt de Waalse afdeling nu een nieuw werkinstrument aan voor naamkundigen, genealogen en andere belangstellenden in deze discipline van de taalkunde, namelijk: een retrospectieve bibliografie van de Waalse antroponymie.

Advisering

     Inzake plaatsnaamgeving en etymologie werden de leden van de Vlaamse afdeling van de Commissie in 2019 door talrijke gemeenten, culturele verenigingen en privépersonen geraad­pleegd. Vaak handelden de vragen ook over dialectkunde en persoonsnamen.

     Bram Vannieuwenhuyze verleende o.a. straatnaamadvies aan diverse gemeenten van het Hoofdstedelijk Gewest Brussel en aan de Henegouwse faciliteitengemeente Komen-Waasten.. In de loop van het afgelopen jaar deed Victor Mennen aanbevelingen in Lommel. Jan Segers adviseerde het stadsbestuur van Diest inzake de inhoudelijke stoffering van de nieuwe straatnaamborden. Hij verleende ook advies in een rechtszaak n.a.v. een geschil tussen een Sittardse familie en de gemeente Sittard-Geleen aangaande spelling van een familienaam.

     Het Nationaal Geografisch Instituut, Abdij ter Kameren 13, 1000 Brussel, doet regelmatig een beroep op de Commissie bij de medewerking aan de te actualiseren uitgave van de Topografische Kaart op schaal 1/25000; zo brachten Vic Mennen en Jan Segers in 2018 advies uit over de schrijfwijze en de vorm van toponiemen in de Limburgse gemeenten Alken, Borgloon, Gingelom, Heers, Herstappe, Kortessem, Nieuwerkerken, Sint-Truiden en Wellen; Magde Devos deed hetzelfde m.b.t. een honderdtal Oost-Vlaamse gemeenten.

Internationale contacten en samenwerkingsverbanden

     Ann Marynissen hield op 22 januari 2019 in Den Haag een lezing op de Naamkundedag die door het Centraal Bureau voor Genealogie georganiseerd werd. De titel van haar voordracht luidde ‘Familienamen en religie’.

Op 19 maart 2019 vierde de neerlandistiek in Keulen haar 100ste verjaardag. Op de academische zitting naar aanleiding van dit jubileum sprak Ann Marynissen over “Ein Jahrhundert Niederlandistik an der Universität zu Köln”. De KCTD was op de viering vertegenwoordigd door Jan Goossens en José Cajot.

     Op 13 december 2019 namen Ann Marynissen José Cajot, Frans Debrabandere, Luc De Grauwe en Magda Devos deel aan het Taal & Tongvalcolloquium ‘Spelling in ontwikkeling’ in het Academiegebouw te Gent. Ann Marynissen hield er de lezing getiteld: ‘De taal van Gheraert Leeu, drukker in Gouda en Antwerpen’.

     Vier leden van Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (José Cajot, Jan Goossens, Vic Mennen en Jan Segers) verleenden hun organisatorische en inhoudelijke medewerking aan de totstandkoming van het 45e congres van de Vereniging voor Limburgse [= Belgisch- & Nederlands-Limburg] Dialect- en Naamkunde onder de titel “Dialecten, namen en geschiedenis in het Land van Grevenbroek en Pelt”. De druk bijgewoonde bijeenkomst had plaats op 30 november 2019 in het Ontmoetingscentrum De Burg te Hamont-Achel. Vic Mennen hield er de toponymische lezing: Waternamen van het Dommelbekken met bijzondere aandacht voor het Ambt Grevenbroek.

     Luc De Grauwe nam deel aan de 32e jaarvergadering van de Verein für niederdeutsche Sprachforschungt te Marburg (Hessen, 10-13 juni 2019) en hield er de  lezing Mitterniederdeutsch murlemey ‘Getöse, Lärm; Aufruhr’. Ein hansisches Lehnwort aus dem städtischen Flämisch”. De tekst is verschenen in het Korrespondenzblatt des VndS, Jg. 2020/Heft 127, p. 97-107.

     Op 4 mei  20l9 ontving Frans Debrabandere de Marnixring-erepenning “wegens zijn inzet voor de Nederlandse  taal en cultuur”.

     José Cajot nam deel aan diverse taal- en geschiedkundige activiteiten van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap te Maastricht. Op 30 maart 2018 was hij aanwezig op de vierde studiedag “1000 jaar Graafschap Loon” van het Historisch Studiecentrum Alden Biesen, en op 18 mei nam hij deel aan de 46e Jaarvergadering van de Belgischer Germanisten- & Deutschlehrerverband die dit jaar gewijd was aan het thema “Neue Methoden der Sprach- und Kulturvermittlung” en plaatsvond in samenwerking met de Vertaal- en Tolkfaculteit van de Universiteit Mons.

     Karel Leenders heeft op 14 januari 2019 de verzamelde eigenaren van de Houtse Heuvel te Oosterhout uitleg gegeven over het fenomeen “Gemeynt”. Op 13 maart werd van hem te Zundert een interview opgenomen over zijn leven en op 21 november door Omroep Brabant uitgezonden.

     Op 14 april gaf hij in Netersel (gemeente Bladel) een uiteenzetting over 800 jaar plaatselijke geschiedenis en de misvatting dat Pladella Villa uit 922 Bladel zou betreffen en meer speciaal zelfs Netersel. (Pladella Villa heet tegenwoordig Bienville en ligt bij Compiègne in noordelijk Frankrijk.) Het thema gemene gronden werd hernomen op 18 oktober in het Bezoekerscentrum Landschap De Liereman in Oud-Turnhout met een uiteenzetting over de door hem samengestelde overzichtskaart van de gemene gronden in het Maas-Demer-Scheldegebied.

     Op 12 november vertelde Leenders de leden van de stichting “Hooghe Heerlickheyt Wernhout” dat de hoogheid van hun heerlijkheid waarschijnlijk niet middeleeuws is, doch slechts teruggaat op het midden van de zeventiende eeuw.

     In de loop van het jaar werden negen (van de 36) hoofdstukken voorbereid voor een onder redactie van prof. dr. P. Klep (Lokeren) te verschijnen Historische Atlas van Breda.

     Op 13 december 2019 stelde Paul Kempeneers zijn publicatie Ezemaal en Laar. Plaatsnamen en hun geschiedenis voor in het Stadhuis van Landen. Een resumé van deze lezing biedt afl. XCIII van de KCTD-Handelingen (2021).

     Op 22 juni 2019 gaf Magda Devos in het Rijksarchief te Leuven op een studiedag over toponymie, georganiseerd door het Documentatiecentrum Vlaams-Brabant en het Rijksarchief Leuven een lezing getiteld Inleiding tot de toponymie.

     In 2019 gaf Reinhild Vandekerckhove nam gaf Reinhild Vandekerckhove op 26 februari 2019 twee lezingen aan de Universität Zürich (binnen het Deutsches Seminar en aan de afdeling Niederlandistiek), getiteld ‘Glocalisation and social variation in Flemish online teenage talk’ en ‘Het jonge Nederlands: pluricentrisch en eigenzinnig’.

Op 5 april 2019 presenteerde ze samen met Lisa Hilte en Walter Daelemans aan de Universiteit Utrecht op de conferentie van de Sociolinguistics Circle de volgende lezing: ‘Adolescents’ perceptions of social media writing: has non-standard become the new standard?’ Daarnaast presenteerde ze die dag ook, met Hanne Surkyn en Dominiek Sandra, een poster over ‘The interaction of sociolinguistic and psycholinguistic variables in the production of verb spelling errors in informal online writing’.

     Op de lenteconferentie van het Netwerk Didactiek Nederlands van 26 april 2019 in Antwerpen gaf ze een presentatie over ‘Taalvariatie in het Nederlandse taalgebied: naar een realistisch en ondersteunend taalvariatiebeleid’. Op de een symposium georganiseerd door de Erfgoedcel Waasland in Sint-Niklaas gaf ze op 17 mei 2019 een lezing getiteld ‘Dieje reageert kei cute. Local en global in het online taalgebruik van Vlaamse tieners’.

     Op de international Conference on Language Variation in Europe (ICLAVE10) in Leeuwarden gaf Vandekerckhove op 26 juni 2019 met Lisa Hilte een lezing over ‘Flemish online teenage talk: oral and digital vernacular and their social correlates’. Op 10 september 2019 hield ze met Hanne Surkyn en Dominiek Sandra een voordracht tijdens de 7th Conference on Computer-Mediated Communication and Social Media Corpora aan de Université Cergy Pointoise (Parijs) over het volgende onderwerp: ‘Errors Outside the Lab: The interaction of a Psycholinguistic and a Sociolinguistic Variable in the Production of Verb Spelling Errors in Informal Computer-Mediated Communication’.

     Jacques Van Keymeulen heeft de onderstaande lezingen op wetenschappelijke bijeenkomsten gehouden.

Gent, 12 februari 2019, UGent in de cursus Low Countries Studies: A short history of the Dutch language.

Arezzo, 14 februari 2019, Italian Association of Speech Sciences (AISV), What linguistic resources reveal about rusted bicycles and hoop making. Anne Breitbarth, Melissa Farasyn Anne-Sophie Ghyselen en Jacques Van Keymeulen [gepresenteerd door Anne-Sophie Ghyselen].

Leiden, 29 maart 2019, op de workshop over dialectlexicografie: Karteren bij het WVD.

Leeuwarden, 27 juni 2019, 10th International Conference on Language Variation in Europe, The Dictionary of the Southern Dutch Dialects (DSDD. Designing a virtual research environment for digital lexicographical research. [samen met Veronique De Tier].

Gent, 22 mei 2019, KANTL Gent, gesprek met Wannie Carstens naar aanleiding van de presentatie van zijn boek Die Storie van Afrikaans.

Sintra, 3 oktober 2019, Elex conference, Modeling and analysis of dialect data in the database of the southern Dutch dialects (DSDD). Veronique De Tier, Jesse de Does, Katrien Depuydt, Tanneke Schoonheim, Sally Chambers en Jacques Van Keymeulen [gepresenteerd door Veronique De Tier en Jesse De Does].

Gent, 18 december 2019, KANTL Gent, bij mijn installatie als lid: Jozef Vercoullie, de eerste Gentse dialectoloog.

     Behalve een omvangrijk artikel in jg. 91 van de KCTD-Handelingen, publiceerde Jozef Van Loon de bijdrage: Is het Nederlands wereldkampioen sjwa? in de Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde jg. 128, p. 221-282 en het artikel: Waar komt koorts vandaan? in Leuvense Bijdragenjg.101 (verschijnt binnenkort).

     Bram Vannieuwenhuyze gaf op 15 oktober 2019 een lezing en presentatie getiteld ‘The tentacles of cities’ naar aanleiding van de interdisciplinaire ‘playshop’ Urban Infrastructures te Amsterdam. Verder gaf hij een aantal lezingen die handelden over zijn vakgebied, de historische cartografie, en was hij de organisator van het 28th International Conference on the History of Cartography in Amsterdam van 14 tot 19 juli 2019.

Met de meeste hoogachting,

Brussel, eind december 2019

prof. dr. José Cajot
Bernard Roobaert
algemeen secretarisalgemeen voorzitter

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.